De  Taalbad  boeken geven aan ouders  en dagopvang, de mogelijkheid om in elk levensjaar, de ontwikkeling  van de voorwaarden  voor  woordvorming  te stimuleren.

Elk boek geeft duidelijke  aanwijzingen voor:

- Het  stimuleren van het volledig en  duidelijk  zeggen van  de spraakklanken.

- Het  leren onderscheiden van klankgroepjes, die het kind  gebruikt  bij  woordvorming.

- Het versterken van de woordenschat door  voor elke  jaar aan te  geven welke

  prenten- en voorleesboeken, aansluiten  bij de ontwikkeling.

- Het  leren onderscheiden van  de spraakklanken  onderling.

- Het  ontwikkelen van de  geletterdheid en het actief  taalgebruik.

- Het leren  vormen van goede zinnen en  zeggen van grotere  woorden

Boek 1

Boek 2

Boek 3

Boek 4

Boek 5

Boek 6

Het eerste  jaar

Als Uw  kind acht maanden is kan het als veel spraakklanken maken. Door  veel klanken  herhaald  te brabbelen wordt  de spraakmotoriek ontwikkeld. Bij risico kinderen is de  ontwikkeling van de spraakmotoriek minder  verfijnd. Er is minder variatie in klanken.

Als Uw kind  12  tot 14 maanden  is , zal het  gevarieerde  brabbelklanken  maken. Het  kind kan klanken  onthouden en  veranderen. Niet brabbelen  betekent  dat er achterstand ontstaat.  Risico kinderen hebben moeite de klanken in de klankgroep onderling  te onderscheiden. We  versterken  daarom de spraakbeweging.   Zo ontstaat  er   bij het brabbelen meer  variatie in klankgroepjes, waardoor het kind meer  klankgroepen onthoudt .

 

 

Het  tweede jaar.

Op 1½ jarige leeftijd moeten naast papa en mama toch wel enkele andere woordjes gezegd worden. Het kind gebruikt de klankgroep om woorden   te vormen  taat (paard), pa-pu.  Risico kinderen gaan minder woorden vormen  omdat ze minder  klankgroepjes onthouden. Ze leren minder snel de letterklank volledig  te zeggen omdat de spraakmotoriek minder verfijnd is.

Met  2  jaar kan het kind 50  woordjes zeggen en 120 woordjes  begrijpen. Het zegt één letterklank correct  in  een woord.  Van de woorden kan 40% worden  begrepen. In deze  periode  versterken we het aantal klankgroepjes om een achterstand in woordbezit en woordgebruik  te voorkomen. Door  het herhaald gebruik van letterklank in woorden,  leert het kind de letterklank volledig  te zeggen.

 

Het  derde jaar

Met  2.6 jaar  zal het kind woorden onthouden, die  bij elkaar  horen. Het gebruikt deze in twee  woordzinnen. Het  leert welke woorden bij elkaar horen.  Het zeggen van letterklanken wordt meer  beheerst.. Risico  kinderen  onthouden minder  woorden . We  geven de  samenhang tussen woorden daarom extra aandacht.

Met  3  jaar moet het  kind  praten in telegram taal. Het gebruikt  meer woorden om iets duidelijk  te maken.  Het kind ontwikkelt  zijn luisterhouding, waardoor   het meer klankgroepen  onthoudt. In de klankgroep worden meer  letterklanken gezegd.  Het risicokind zal   in de woorden minder letterklanken volledig gebruiken. Tweeklanken zeggen blijft moeilijk.  We oefenen  dit  door  woorden  te herhalen

 

Het  vierde jaar.

Met 3.6 jaar moet het spreken in drie- tot vijfwoord zinnen. De grammaticale structuur mag dan nog wel afwijken van de manier waarop volwassenen formuleren. Voorbeeld: ik is recht bij de wei hardgeloopt, ikke (ik heb langs het weiland gerend).  Het kind risicokind heeft moeite de woorden  in een zin te ordenen.   Ook het  onderscheiden en in  volgorde  ordenen van letterklanken in het woord.  vraagt oefening.  Het  kind is minder gericht op talig contact  omdat de woordenschat achter  blijft. Voorlezen en taal ervaring   blijft  belangrijk.

Op 4 jarige leeftijd moet het kind wel in eenvoudige enkelvoudige zinnetjes kunnen praten, waarin al meer grammaticale structuur aanwezig is. Het leert  het woordschema met aparte letterklanken in te vullen. Het  kind begint de functie van het letterteken te ontdekken. Risicokinderen  blijven langer klankgroepjes  gebruiken om woorden te vormen, waardoor  woorden onvolledig   blijven  We oefenen dit door het herhaald zeggen  van woorden met deze letterklanken.

 

 

Het  vijfde jaar

Op een leeftijd van 4.6  maakt  het kind  onderscheid  tussen woord  en letterklank ofwel foneem. Risicokinderen  hebben  moeite met het vormen van grotere  woorden omdat het geheugen zwak is. Het snel herkennen van woorden wordt  versterkt  door woorden herhaald  te  laten gebruiken.

Op een leeftijd van 5.0 jaar moet het kind kunnen spreken in redelijk goed gevormde en samengestelde zinnen. Wel is het taalgebruik meestal nog concreet met een verstaanbaarheid voor buitenstaanders van 90%. . Het kind maakt onderscheidt  tussen  woorden en letters. Ook  het risicokind leert  op deze  wijze de  klankopbouw  van woorden  te doorzien en woorden beter te herkennen.

 

 

Overgangsfase

Als het kind  5.6 jaar is, is de taalontwikkeling praktisch  voltooid. Het kind kan iets vertellen en  begrijpen. Het risico kind blijft moeite houden de letterklanken onderling te onderscheiden. Auditieve  synthese lukt beter  dan auditieve analyse omdat  de relatie tussen  letterklank en woord  niet  wordt doorzien. Het snel herkennen van woorden  blijft beperkt tot de veel gebruikte woorden. Het letterteken ondersteunt het inzicht in de opbouw van het woord.

 

Vanaf 5.6   jaar wordt het kind  in staat om letters  te benoemen. In deel 6 van Taalbad  wordt  hiervoor  een programma aangeboden. Samenspraak met de basisschool wordt aanbevolen.