De ontwikkeling van fonologische  vaardigheden bij kinderen van 0 tot  5 jaar, met een risico  op dyslexie.

Uit veel onderzoeken  blijkt dat  kinderen van wie de ouders  dyslectisch zijn  70 % kans  hebben  om zelf ook  dyslectisch te worden. Deze ouders willen voorkomen, dat hun kind dyslectisch wordt.

 Huidig onderzoek geeft aan dat  dyslexie  zijn oorzaak vindt in de verstoorde  cognitieve verwerking bij de vorming van woorden. Deze  mentale processen  zijn niet  rechtstreeks  te  be├»nvloeden.    De onderliggende vaardigheden, voor woordvorming  ontwikkelen zich in de periode, dat  het kind  spreektaal leert  gebruiken.  De  vorming van deze vaardigheden is te  be├»nvloeden.

Dit boek  beschrijft de vorming van de fonologische vaardigheden  bij  kinderen, die het risico lopen  dyslexie te ontwikkelen. Door  in elke periode van de spreektaal ontwikkeling  aan te geven  hoe deze  vaardigheden gevormd worden en welke problemen zich daarbij voordoen, krijgt  de lezer  inzicht  hoe dyslexie ontstaat.  Het  geeft  de mogelijkheid om vanuit dit inzicht de  vorming van de  fonologische  vaardigheden te  stimuleren en zo de gevolgen van dyslexie  te  verminderen.

                                                                                                                                        Spreken en  lezen, worden mogelijk als het kind de  betekenis van woorden leert  te  achterhalen.  De toegang tot  lexicale informatie wordt mogelijk door de cognitieve verwerking van het auditief  signaal,  waarbij gehoorde  fonemen  worden geselecteerd en geordend.  Bij dyslexie is dit proces verstoord,  de woordcode  wordt onvoldoende  geactiveerd  en het woord minder snel  begrepen.

Boets  en andere onderzoekers geven aan dat, bij dyslexie  de  fonologische vaardigheden voor de  verwerking van  de  spatieel temporele  aspecten van het klanksignaal achter  blijft.  Het vermindert,  het onderscheid  tussen de fonemen onderling, waardoor  de selectie en ordening van fonemen in het proces  van woordvorming, stagneert.

Het onderscheiden van letterklanken begint al  na acht maanden, als het kind  in staat wordt om de letterklanken  te  onthouden. Letterklanken  kunnen worden gezegd als de spraakmotoriek zich voldoende  heeft ontwikkeld. Het  begint met  de letterklanken voor in de mond zoals  de  b  de m  en  o  en u, na het eerste jaar.

 

Het kind leert  daarna de letterklanken steeds  genuanceerder  te zeggen, waardoor de klanken onderling  verschillend  gaan klinken. Het kan dan woorden vormen en onthoudt  welke letterklanken  bij het woord horen. Op den duur worden de  woordeigen  letterklanken niet meer  gezegd maar wordt  het  tot een mentaal proces.

 Het herkennen van het woord, wordt in de periode van vroege  spraak en in de linguale periode  vooral bepaald  door  de klankinhoud van de woorden,  waarbij  de vorm van het woord  minder  relevant is   toto=auto                                  Bij risicokinderen  wordt  woordvorming meer  vertraagd doordat  de  fonemen onderling onvoldoende  onderscheiden  zijn. De klankopbouw van de woorden blijft globaal  en wisselend  en het  gebruik van  woorden blijft achter.

Na het derde  jaar neemt aandacht  voor de morfologische vorm  van de klankstructuur toe.   Woorden worden  direct herkend op grond van de vorm. Het  gebruik van het letterteken  versterkt deze ontwikkeling  Risicokinderen  blijven problemen  houden met  vorming  van de klankstructuur  en het herkennen  van woorden ook omdat  de vorming van de woordenschat   achter blijft

 De ontwikkeling van  fonologische vaardigheden, die bepalend zijn voor de   klankstructuur  van het woord,   nemen  in de periode dat  het kind spreektaal ontwikkelt,  in aantal en omvang   toe.   Door in elke periode de ontwikkeling van fonologische vaardigheden  te beschrijven en aan  te geven welke stagnaties  er ontstaan, zijn er uitgangspunten te  formuleren. De  belangrijkste  daarvan zijn omkaderd en ook wordt aangegeven  onder het hoofd  orthodidactiek, welke extra zorg  dan mogelijk is.

Het boek is  bedoeld  voor de betrokken  ouders, logopedisten en medewerkers  van dagverblijven, die zich willen  verdiepen  in  de  begeleiding  van  kinderen, van ouders die  dyslectisch  zijn.